24-04-14

Natuurlijke suikers. De aantrekkingskracht van zoete voeding.

Natuurlijke suiker is het voedsel voor de hersenen, het zenuwstelsel en de spieren en speelt in de gezondheid een uitzonderlijke rol. De belangrijkste eigenschap van suiker is zijn zoete smaak. Om de zoetheid weer te geven en vergelijkingen te maken, vertrekt men vanuit de witte suiker, ook industriesuiker genoemd. De zoetheid van suiker (saccharose) krijgt de waarde van 100 toebedeeld. En zo kan men de zoetheid bepalen. Voor Stevia bedraagt die 250 en voor honing 120. Omdat koolhydraten uiterst belangrijk en haast onmisbaar zijn in de voeding kent de mens van natuur uit een drang naar zoet. Dat is niet vreemd omdat koolhydraat (suiker) het grootste deel van onze voeding uitmaakt. Het begint al bij de zoete moedermelk die 7,10% melksuiker of lactose bevat. De dagelijkse behoefte aan koolhydraat ligt 5 à 7 maal hoger dan eiwit.

Alles wat tot de basisfuncties van het leven behoort, wordt vanuit de hersenstam gestimuleerd en gaat gepaard met een instinctieve drang. Tot de basisfuncties rekent men de ademhaling, eten en drinken, rusten en slapen en de voortplanting (seksualiteit). In de hersenen bevindt zich het ‘beloningscentrum’. Vandaar dat, als men iets goed doet, een gevoel van voldaanheid optreedt. Prikkelen we onze hersenen door geïsoleerde en hooggeconcentreerde riet- of bietsuiker te gebruiken, wordt het beloningscentrum extra geactiveerd. Zo is het te verklaren dat er suikerverslaving optreedt. Onweerstaanbaar snoepen of eten van chocolade of zoet gebak zijn vormen van suikerverslaving. Onze hersenen maken niet het verschil tussen natuurlijker suikers uit de voedingsmiddelen en industriesuiker die aan voedingsproducten zijn toegevoegd omdat beide dezelfde oorsprong hebben. Omdat industriesuiker geïsoleerd is uit het riet of de biet, geen vitaminen en mineralen bevat, is deze suiker niet in staat het zenuwstelsel te voeden. De drang naar zoet is een noodsignaal dat de hersenen uitzendt omdat er een grote behoefte is ontstaan aan natuurlijke suikers. Helaas wordt dit signaal verkeerd begrepen en gaat men nog meer snoepen. Natuurlijke suikers hebben talrijke en vooral onmisbare functies binnen het menselijk organisme. We vermelden ze even.

 

Voedsel voor hersenen, zenuwen, spieren en rode bloedlichaampjes

Natuurlijke suikers zijn het voedsel voor de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren en de rode bloedlichaampjes. In de sportwereld weet men hoe belangrijk suikers zijn om goed te presteren, maar helaas gebruikt men niet altijd de juiste suikers. Zoet wordt vaak en terecht in verband gebracht met emoties. Er zijn heel wat uitdrukkingen en gezegden in verband met zoet zoals iemand zoet houden met iets. Zoet krijgt hier de betekenis van braaf, gehoorzaam, tevreden enz. Door te veel toegevoegde suikers te gebruiken, geraakt het zenuwstelsel uitgeput. Een drang naar zoet wijst op een gebrek aan natuurlijke suikers.

 

Brandstof (energie)

Natuurlijke suiker is wat de kwantiteit betreft de belangrijkste leverancier van brandstof. Suikerrijke voedingsmiddelen komen vrij veel voor, zijn eerder goedkoop en leveren voldoende calorieën. Voedingsdeskundigen omschrijven geïsoleerde industriesuiker als lege calorieën omdat ze geen nut hebben. Lege calorieën leveren wel calorieën en zetten zich om in vet wat overgewicht in de hand werkt.

 

Snel opneembare energie

De enkelvoudige suikers uit fruit en honing worden zonder vertering opgenomen zodat het lichaam onmiddellijk over energie beschikt indien dit nodig is. Dat is belangrijk bij grote fysieke inspanningen of bij het beoefenen van sport. Industriesuiker wordt te snel opgenomen (glycemische index 100) terwijl enkelvoudige suikers uit fruit en honing traag worden opgenomen door de aanwezigheid van ballaststoffen (ruwe vezels). Bij fruit ligt de glycemische index (GI) tussen 23 en 50 wat gunstig is. Bij honing ligt de GI tussen 32 en 55 afhankelijk van de soort. Zowel fruit als honing geven geen snelle schommeling in de bloedsuikerspiegel wat een voordeel is.

 

Belangrijke voedingsstof

Natuurlijke suikers leveren niet alleen voedsel voor de hersenen, zenuwstelsel, spieren, maar ook aan rode bloedlichaampjes die zich uitsluitend met suiker voeden. Omdat suiker onmisbaar is, kan het lichaam deze zelf aanmaken uit vet en eventueel uit eiwit. Er is een enorm veiligheidsysteem ingebouwd zodat het lichaam moeilijk zonder suiker valt.

 

Reservevoedsel

Natuurlijke suiker kan zich, in tegenstelling tot eiwit, in relatief grote hoeveelheden als reservevoedsel in het lichaam opstapelen in de vorm van glycogeen in de lever en de spieren. Is er behoefte aan suiker, los van de maaltijd, kan het lichaam daar suiker halen en omzetten in glucose.

 

Bloedsuikerspiegel

Natuurlijke suiker zorgt voor een stabiel en constant suikerniveau in het bloed dat als bloedsuikerspiegel wordt aangeduid. Na een fysieke inspanning worden de verbruikte suikers opnieuw aangevuld. De meeste mensen hebben een stabiele bloedsuikerspiegel waardoor ze relatief lang zonder voedsel kunnen. Bij sommigen is die erg gevoelig. Deze mensen eten op vaste tijdstippen en stellen nooit een maaltijd uit. Ze worden vaak geplaagd door een plots optredende flauwte die meteen verdwijnt door het eten van een stuk fruit of een snoepje.

09:10 Gepost door Jan Dries in Gezondheid, Voeding | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

16-04-14

Slagroom, het fluweelzachte schuim

Room is het melkvet dat van de melk wordt gescheiden. Slagroom is net als melkschuim een mengsel van vloeistof en lucht en wordt vastgehouden door microscopisch kleine belletjes waarvan de wanden door het vet worden gestabiliseerd. Room wordt stijf geklopt als er 30% vet aanwezig is. Dit fluweelzachte schuim wordt door de een geprezen en door de ander verafschuwd en als ongezond omschreven. Laten we realistisch blijven, het gaat hier om schuim met een groot volume en weinig gewicht. Een flinke schep slagroom vertegenwoordigt niets als we de analyse bekijken. Het gaat om schuim waarvan de wand van de belletjes melkvet bevat, 58% is water. Zelfs bij gezoete slagroom is de hoeveelheid toegevoegde suiker te verwaarlozen. Slagroom wordt gebruikt om een gerecht te versieren en heeft door zijn gering gewicht geen negatieve invloed op de gezondheid. Als het gebruik occasioneel is en bij fruit of een licht gebakje wordt gegeten, kan men daar moeilijk bezwaar tegen hebben. Lijdt men aan overgewicht, eet men grote hoeveelheden vlees en vetrijke gerechten, veel gebak met of zonder slagroom, dan is men verkeerd bezig.

We doen opmerken dat industriële slagroom in spuitbussen perslucht bevat, meestal distikstofoxide oftewel lachgas. De hoeveelheid is erg gering en verdwijnt waarschijnlijk vrij snel. In grote hoeveelheden is lachgas een drug en is gevaarlijk. Voor gezonde mensen en binnen een evenwichtig voedingspatroon is zelf opgeklopte slagroom geen probleem, want het is slechts schuim.

 

Room

Er is geen verschil in samenstelling tussen room en slagroom, alleen het volume maakt het onderscheid. Room wordt in vloeibare vorm toegevoegd aan koffie, dressings, soep, saus, omelet, terrines, desserts en zorgt voor een aantrekkelijke smaak en textuur. Door de vloeibare vorm is de hoeveelheid melkvet en het aantal calorieën aanzienlijk verhoogd. Room is vaak verantwoordelijk voor een extra vette keuken (Franse keuken). Dat is niet aan te bevelen voor mensen die al veel dierlijk vet in hun dagelijkse voeding gebruiken, een te hoog cholesterolgehalte in het bloed hebben of aan overgewicht lijden. Het eindeffect van room is anders dan bij slagroom.

20:05 Gepost door Jan Dries in Gezondheid | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

10-04-14

Margarine, de imitatieboter van vroeger

Al meer dan honderd jaar heeft de margarine de boter voor een groot deel vervangen. Margarine werd oorspronkelijk ‘imitatieboter’ genoemd, maar is nu algemeen aanvaard. Men heeft margarine om op brood te smeren en om te bakken en te braden. Margarine bevat 70 à 75% vet van plantaardige oorsprong. Ongeveer 20% bestaat uit verzadigd vet, 14 à 15% uit enkelvoudig onverzadigd (EOV) en 30 à 35% uit meervoudig onverzadigd vet (MOV) en max. 1 g transvet. In principe bevat margarine plantaardige of vloeibare vetten die goed zijn voor de gezondheid. Toch wordt als verkoopargument dit vet soms gereduceerd tot 50, 45 en zelfs 30% en spreekt men van light-margarine. De ontbrekende olie wordt vervangen door gemodificeerd zetmeel, wat zeker niet gezond is. Margarine bevat vitaminen A, D en E, maar het is een industrieelbereid product dat in de fabriek wordt samengesteld. Over de gezondheidsaspecten worden nog steeds levendige discussies gevoerd.

Er zijn margarines met een cholesterolverlagende werking door toevoeging van plantensterolen (fytosterinen en fytostanolen). Becel pro activ is wel de meest bekende, maar er zijn er nog andere merken. Plantensterolen hebben een vergelijkbare structuur als cholesterol en hebben als eigenschap de cholesterol in de darmen af te remmen waardoor de opname wordt verhinderd. Plantensterolen komen in de plantaardige voedingsmiddelen voor zoals plantaardige olie, noten, zaden, pitten, groenten, fruit en granen. Plantensterolen behoren tot de bioactieve substanties of genezende inhoudsstoffen in voedingsmiddelen. Ze komen in geringe hoeveelheden voor die in milligram worden uitgedrukt per 100 g bruikbaar deel. In een gezond voedingspatroon varieert de hoeveelheid tussen 150 à 300 mg gram per dag. Bij vegetariërs ligt dit rond de 600 mg. Onderzoekers zijn er van overtuigd dat deze plantensterolen, ondanks hun geringe hoeveelheid, een gunstige invloed hebben op het verlagen van het cholesterolgehalte.

In de cholesterolverlagende margarines ligt de hoeveelheid toegevoegde plantensterolen tussen 2.000 en 2.500 mg (dit is 2 à 2,5 gram). Dit is een gigantische hoeveelheid die te vergelijken is met bijvoorbeeld 500 tomaten, 12,5 kg worteltjes, 125 appels, 69 sinaasappelen, 66 volkoren boterhammen of ruim 900 pinda’s. Dit overtreft iedere verbeelding. Onderzoekers stellen vast dat bij het gebruik van deze margarines het mogelijk is om de via de voeding aangevoerde cholesterol met 7 à 10% te verminderen, maar wat de consument niet weet is dat deze margarines geen enkele invloed hebben op de cholesterol die in de lever wordt geproduceerd. We maken meer cholesterol aan dan we via de voeding binnenkrijgen. De EFSA, een organisatie van de EU, pleit voor duidelijkheid op de etiketten met de waarschuwing dat men de 3 g (3.000 mg) per dag niet mag overschrijden.

De Nederlandse Hartstichting zegt dat deze margarine enkel geschikt is voor mensen met een licht verhoogde cholesterol en dat ze niet geschikt is voor zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven en kinderen onder de vijf jaar. Bij mensen waar een verhoogd cholesterol voorkomt vanuit een familiale belasting, heeft deze margarine geen invloed. In diverse landen stellen cardiologen vast dat het gebruik van cholesterolverlagende margarines het risico op hart- en vaatziekten bij bepaalde mensen verhoogd. Er gaan stemmen op om deze margarines alleen nog in de apotheek en op voorschrift van de arts te verkopen omdat het hier gaat om een combinatie van een cholesterolverlagend medicijn dat in margarines wordt verwerkt. Te hoog gebruik van deze plantaardige sterolen remmen de opname van caroteen af met zeker 20%. De gezondheidsexperts van de EU stellen duidelijke eisen die op het etiket moeten vermeld worden zoals:

  • Deze margarine is alleen bedoeld voor mensen die hun cholesterol willen doen dalen.
  • Indien men cholesterolverlagende medicijnen gebruikt, zal deze margarine uitsluitend onder toezicht van een arts mogen gebruikt worden.
  • Deze margarine is niet geschikt voor zwangere vrouwen die borstvoeding geven en voor kinderen onder de vijf jaar.
  • Deze margarine dient als onderdeel van een uitgebalanceerde voeding te worden gebruikt.
  • De consumptie van meer dan 3 gram plantensterolen/stanolen per dag dient vermeden te worden.

Ondanks al deze waarschuwingen wordt er nog dagelijks reclame gemaakt voor cholesterolverlagende margarine met de slogan: ‘Het is bewezen dat de dagelijkse consumptie van 1,5 à 2,4 gram plantaardige stanolen toelaat uw cholesterol in 2 à 3 weken met 7 à 10% te verlagen.’ Dat isinderdaad bewezen, maar de advertentie zegt niets over de mogelijke risico’s, noch de aanbevelingen van de EU en de Hartstichting. We stellen ons hierbij de vraag op welke wijze deze plantaardige sterolen en stanolen verkregen worden, zeker niet door deze uit voedingsmiddelen te extraheren!

 

Boter

Boter ontstaat door het karnen van room, het is een vrij eenvoudige techniek waarbij het melkvet van de rest gescheiden wordt. Boter heeft een unieke smaak en behoudt zijn natuurlijk karakter. Sommige consumenten geven de voorkeur aan boter in plaats van margarine omdat het een afgeleid natuurlijk voedingsmiddel is. Boter bevat 80 à 83% zacht melkvet waarvan 3 g uit MOV en 240 mg cholesterol. Omdat boter slechts 0,7 g eiwit bevat is er geen bezwaar tegen het gebruik van halfvolle boter die 50 g vet bevat en dus minder cholesterol. Boter is bijzonder rijk aan vitamine A en bevat daarnaast calcium, fosfor, magnesium en ijzer. Verder bevat boter foliumzuur, vitamine D, vitamine K, jodium, zink, koper, mangaan en chroom. Boter is een veel rijker voedingsmiddel dat margarine. Boter brand sneller aan dan olie en mag daarom niet op een hoog vuur worden verwarmd. Boter wordt eerder gezien als een delicatesse. Voor mensen met cholesterolproblemen is boter niet geschikt.

09:22 Gepost door Jan Dries in Gezondheid, Voeding | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-04-14

Eiwit, een belangrijk voedingsstof

Eiwit of proteïne wordt in de voedingsleer als het belangrijkste macronutriënt beschouwd. De naam proteïne werd bedacht door de Nederlandse chemicus G.J. Mulder (1802-1880) en betekent ‘de eerste’ en verwijst naar kwaliteit, voornaamheid of belangrijkheid. In de negentiende eeuw heerste er vaak bij de werkende klasse ondervoeding door gebrek aan eiwitrijke voeding die toen duur en schaars was. Vandaar dat men in die tijd extra aandacht besteedde aan eiwit en eiwitrijke voeding. Eiwitten zijn hoogmoleculaire stoffen van organische oorsprong die voorkomen in alle levende organismen van mens tot virus. Ze zijn essentieel voor zowel de structuur als voor het functioneren van elke levende stof.

 

Aminozuren

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren die bestaan uit de elementen koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O) en stikstof (N). Dikwijls bevatten ze zwavel (S) en fosfor (P). Er komen twintig verschillende aminozuren in eiwit voor. Elk aminozuur heeft een eigen naam en een afkorting van drie letters, soms worden ze door één letter aangegeven. De meeste aminozuren worden door het lichaam zelf aangemaakt. Er zijn echter acht aminozuren die het lichaam niet kan aanmaken en via de voeding geleverd moeten worden. Ze worden de essentiële aminozuren genoemd. Het is belangrijk dat binnen een gezonde voeding deze acht essentiële aminozuren voldoende aanwezig zijn. Als men een gevarieerde voeding gebruikt, hoeft men zich hier geen zorgen over te maken.

 

Biologische waarde van eiwitten

De biologische waarde van de eiwitten hangt af van de samenstelling en de verteerbaarheid. Voedingsmiddelen waarin alle essentiële aminozuren in voorkomen worden ‘volwaardige eiwitten’ genoemd of eiwitten met een hoge biologische waarde. Eiwit uit moedermelk, koemelk en eieren worden als volwaardig beschouwd. Dat geldt ook voor dierlijk eiwit dat dicht bij het menselijk eiwit staat. Eiwitten uit granen en afgeleide producten worden tot de groep van de lage biologische waarden gerekend. Eiwitten uit noten, zaden en pitten hebben een hoge biologische waarde. Fruit en groenten zijn arm aan eiwit, maar men eet er grote hoeveelheden van zodat ze toch invloed hebben op de totale hoeveelheid eiwit. Het staat wetenschappelijk vast dat men zich uitsluitend met plantaardig eiwit kan voeden zoals veganisten die zelfs geen melkeiwit in hun voeding gebruiken.

 

Eiwitvertering

De verteerbaarheid heeft invloed op de biologische waarde. Als voedingsmiddelen moeilijk verteerbaar zijn, wordt er onvoldoende eiwit uit het voedsel gehaald. Daarom spreekt men in de voedingswetenschap van ‘Netto Eiwit Benutting’ (NEB). Het NEB verkrijgt men door de biologische waarde te vermenigvuldigen met de verteerbaarheid. Moedermelkeiwit heeft een BW van 100 en een NEB van 100. Eiwit vergt een intense en grondige vertering. Verteringsenzymen halen de eiwitten uit de voedingsmiddelen en breken ze af tot afzonderlijke aminozuren die via de bloedbanen in de cellen terecht komen waar ze als bouwstenen gebruikt worden. Eiwitrijke voedingsmiddelen bevatten steeds grote hoeveelheden vet, zoals noten, zaden, pitten, vlees, vis, kaas enz. Er is een duidelijk verband tussen eiwit en vet. Volgens de moderne voedingsfysiologie vertraagt vet de beweging van de maag waardoor het voedsel er langer in blijft zodat de vertering grondig gebeurt.

 

Men heeft vastgesteld dat lightproducten moeilijker verteren omdat het vetgehalte met 30% gereduceerd werd terwijl het eiwitgehalte onveranderd blijft. De eiwitvertering vindt voor een groot deel plaats in de maag. Bij een vetarme voeding verloopt de vertering onvoldoende en is er extra veel energie nodig. Bovendien laat een onvoldoende vertering en stofwisseling opvallend veel afvalproducten na die via de nieren worden uitgescheiden. Eiwit is immers rijk aan stikstof die na gebruik moet worden uitgescheiden. Gebruikt men te eiwitrijke voeding waarbij het vet verminderd wordt, dan worden de nieren zwaar belast. Om een te grote hoeveelheid stikstof uit het lichaam te verwijderen wordt er extra veel urine uitgescheiden wat kan leiden tot nierstoornissen of nierziekten. Daardoor kunnen de filtereenheden (de glomeruli) schade oplopen. Overtollige aminozuren worden door de lever omgezet in ureum. Dit wordt via het bloed naar de nieren vervoerd en met de urine uitgescheiden. Vet heeft eveneens een gunstige invloed op het verzadigingsgevoel. Vandaar het snelle verzadigingsgevoel bij eiwitrijke voedingsmiddelen.

 

Dierlijk eiwit

Dierlijk eiwit is afkomstig van vlees, gevogelte, vis en afgeleide voedingsproducten. Het gehalte aan eiwit varieert tussen 16 en 22%. Dierlijk eiwit is vrij gunstig van samenstelling, maar de dierlijke voedingsmiddelen bevatten dierlijke vetten die rijk zijn aan verzadigde vetzuren (harde vetten) en cholesterol. Dierlijk eiwit (vlees, vis) dient vanuit hygiënisch standpunt goed gebraden of gekookt te worden, maar vanaf 70 °C treedt er een denaturatie van het eiwit op. Tijdens het verhitten van dierlijke eiwitten kunnen er heterocyclische aminen ontstaan die kankerverwekkend zijn. Om die redenen wordt op dit ogenblik het gebruik van dierlijk eiwit eerder als beperkt aanbevolen. In de vorige eeuw dacht men daar nog heel anders over.           

 

Eiwit

Vet

Cholesterol

Kip

20,6 g

5,6 g

81 mg

Rundvlees, gehakt

22,5 g

14,0 g

70 mg

Rugspek

24,1 g

82,5 g

100 mg

Leverpastei

14,2 g

28,6 g

50 mg

Maatjesharing

16,0 g

22,6 g

60 mg

Sardienen op olie

20,6 g

24,4 g

120 mg

 

Melkeiwit

Het melkeiwit bestaat voor 75% uit caseïne. Caseïne is een verzamelnaam van twaalf verschillende soorten eiwit die licht verteerbaar zijn. Denk aan het gebruik van kwark of zachte kazen. Melkvetten smelten op kamertemperatuur en behoren niet tot de harde vetten. De dierlijke en de plantaardige vetten vormen een aparte klasse en dat geldt eveneens voor wat het eiwit betreft. Melk en melkproducten bevatten eveneens cholesterol. 

 

Eiwit

Vet

Cholesterol

Yoghurt

3,3 g

3,5 g

11 mg

Gouda

25,5 g

29,2 g

114 mg

Brie

22,6 g

27,9 g

100 mg

Feta

17,0 g

18,8 g

45 mg

Kwark

11,1 g

11,4 g

37 mg

Ei

6,7 g

6,2 g

314 mg

 

Plantaardig eiwit

Er is een steeds grotere waardering voor het gebruik van plantaardig eiwit, zeker door het feit dat dit eiwit verbonden is met plantaardig vet dat rijk is aan onverzadigde vetzuren en vrij is van cholesterol. Peulvruchten worden vaak geprezen voor hun hoog gehalte aan eiwit, maar het vetgehalte ligt vrij laag, wat de vertering bemoeilijkt. Dat geldt ook voor de granen. Bij noten, zaden en pitten ligt het vetgehalte zeer hoog, wat de vertering gunstig beïnvloedt. Het gaat hier om plantaardig vet van zeer hoge kwaliteit en zijn uitzonderlijke bronnen van eiwit. 

 

Eiwit

Vet

Tarwe

11,4 g

2,0 g

Bonen

20,7 g

1,4 g

Amandelen

19,0 g

54,0 g

Hazelnoten

13,0 g

61,0 g

Pijnboompitten

13,0 g

60,0 g

Sesamzaad

20,0 g

50,0 g

 

Eiwitbehoefte

Over de juiste hoeveelheid eiwit die men dagelijks nodig heeft, bestaat veel controverse. Lang heeft men vastgehouden aan 1 g eiwit per lichaamsgewicht. Onder invloed van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is die hoeveelheid teruggebracht tot 0,75 g en in recente publicaties spreekt men van 0,5 g per lichaamsgewicht. Het is een feit dat in de geïndustrialiseerde landen de dagelijks hoeveelheid eiwit tussen 100 en 150 g per dag per persoon ligt, wat uiteraard te hoog is. Gezien alle voedingsmiddelen eiwit bevatten, is het nodig daar rekening mee te houden bij het berekenen van de dagelijkse hoeveelheid. Een te veel aan eiwit ontstaat meestal door een te grote consumptie van vlees, vleesproducten en kaas en is schadelijk voor de gezondheid. Wetenschappers tonen aan dat te hoog eiwitgebruik een negatieve invloed heeft op het ontstaan van veel ziekten zoals nierziekten, hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, osteoporose en vele andere moderne kwalen. Ze leggen een verband tussen het ontstaan van kanker en een te hoog eiwitgebruik.

 

Een tekort aan eiwit komt hier eerder zelden voor, behalve bij ernstige ontbering, anorexia nervosa en bij extreme afslankdiëten. In ontwikkelingslanden ligt dit anders. Een tekort aan eiwit is gevaarlijk omdat zoveel noodzakelijke fysieke en biochemische processen in het lichaam niet optimaal functioneren. De opgezette buikjes (kwashiorkor) verraden de aanwezigheid van een hongeroedeem.

 

Factoren die de eiwitbehoefte bepalen

Het is niet mogelijk om bij iedere maaltijd een berekening te maken of men alle macro- en micronutriënten binnenkrijgt. Een voedingswijze berust op instinct, intuïtie, trek en andere subjectieve factoren. Over het algemeen neemt men aan dat bij een gevarieerde voeding niets mis gaat. Bij ziekte wordt via bloedonderzoek nagegaan of er afwijkingen zijn die op een tekort of een teveel aan eiwit wijzen. Mannen hebben meestal iets meer eiwit nodig dan vrouwen. Zwangere vrouwen hebben tijdens de drie laatste maanden van de zwangerschap meer eiwit nodig omdat de baby zich voorbereidt op de geboorte. Bij intens sport bedrijven kent men een hoge behoefte aan eiwit. In de zomer ligt de behoefte aan eiwit lager en worden er meer eiwitarme voedingsmiddelen gegeten zoals fruit en groenten. Tijdens groeiperiode hebben kinderen meer behoefte terwijl bij de volwassenen er een stabilisatie optreedt.

 

Ongezonde eiwitten en darmkanker

De Gezondheidsraad (B) adviseert maximum 500 g rood vlees per persoon per week (70 g per dag) met als doel deze hoeveelheid terug te dringen tot maximaal 300 g week of gemiddeld 40 g per dag. Het gaat niet alleen om vlees, maar ook alle bereide vleeswaren en kant-en-klare maaltijden waarin rood vlees zit verwerkt. Rood vlees is afkomstig van rund, varken, schaap, konijn en wild. Hiermee wordt zowel het dierlijke eiwit als het dierlijk vet drastisch teruggedrongen. Medisch onderzoek heeft aangetoond dat er een verband is tussen het eten van grote hoeveelheden rood vlees en dikke darmkanker (colon-rectale kanker). De oorzaken van darmkanker is complex en houdt verband met genetische aanleg, pathologische toestand, voeding en levenswijze. Onderzoekers gaan er vanuit dat 30% van de darmkankers hun oorsprong vinden in het eten van rood vlees. De bereidingswijze speelt een bijkomende rol, vooral verbrand vlees zoals barbecue verhoogt het risico. Bij vleeswaren is het de bewaartijd en is het gebruik van bewaarmiddelen zoals nitriet of nitraat een bijkomende risicofactor. Darmkanker staat bij vrouwen op de tweede en bij mannen op de derde plaats. Een lagere vleesconsumptie kan darmkanker aanzienlijk terugdringen. Uiteraard wordt het risico extra verhoogd bij roken en veelvuldig gebruik van alcoholische drank.

 

Het is niet duidelijk waarom wit vlees, afkomstig van kip en gevogelte minder gevaarlijk zou zijn. Zowel het gehalte aan eiwit als vet ligt ongeveer gelijk alsook het gebrek aan ballaststoffen. Vlees bevat geen ballasstoffen omdat carnivoren (vleesetende dieren) een kort en glad verteringsstelsel hebben, waardoor ze een veel snellere vertering en ontlasting kennen. De mens heeft een relatief lang en geprofileerd verteringsstelsel zodat de feces afkomstig van de vleesresten te lang in de dikke darm opgestapeld blijft. Hierdoor ontstaat rotting en worden er talrijke gifstoffen geproduceerd die vermoedelijk verantwoord zijn voor het verhoogde risico op darmkanker. Het is algemeen bekend dat mensen die veel vlees eten een moeilijke ontlasting hebben. Laten we hier nog aan toevoegen dat in de bio-industrie gebruik wordt gemaakt van krachtvoer om de gewichtstoename te verhogen en dat deze dieren niet in een natuurlijke omgeving opgroeien. Het massaal gebruik van medicijnen is eigen aan deze versnelde methode van vetmesten. Er wordt verder nog een verband gelegd tussen een hoge vleesconsumptie en prostaatkanker bij mannen, alsook tussen dierlijke vetten en borstkanker. Talrijke internationale onderzoeken tonen aan dat bij vegetariërs opvallend minder kanker voorkomt

11:01 Gepost door Jan Dries in Gezondheid, Voeding | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |