25-03-15

De genezende kracht van het placebo!

De universiteit van Maastricht heeft enkele jaren geleden een onderzoek uitgevoerd op 128 patiënten uit Belgisch- en Nederlands-Limburg. Met dit onderzoek wilde men nagaan of de houding van een arts invloed heeft op het genezingsproces. De conclusie is verpletterend: wie een positief ingestelde huisarts heeft, geneest niet sneller van zijn ziekte. Bij de helft van de patiënten nam de huisarts een positieve houding aan: heldere diagnose, de verzekering dat het probleem snel zou verdwijnen. Bij andere patiënten vertelde de arts dat hij het niet precies wist en ze kregen de raad nog eens terug te komen. De houding van de huisarts heeft, volgens dit onderzoek, weinig of geen invloed op het genezingsproces.

Dit Limburgs onderzoek toont aan dat de onderzoekers weinig inzicht en ervaring hebben met de genezende kracht van het positief denken. Het aantal patiënten is voor een dergelijk onderzoek erg gering alsook de duur van het onderzoek. Dit onderzoek bevestigt dat de huisartsen die hieraan hebben deelgenomen onvoldoende invloed hebben uitgeoefend op hun patiënten, m.a.w. zij hebben geen sterke uitstraling. Niet de instelling van de arts maar wel die van de patiënt heeft invloed op het ziekteproces. Dit onderzoek spreekt andere ernstige onderzoeken flink tegen.

Bij geneesmiddelenonderzoek krijgt de ene helft van de proefpersonen het te testen geneesmiddel en de andere groep een placebo terwijl ze allemaal aan dezelfde ziekte lijden. Een placebo is een geneesmiddel zonder genezende substantie en kan daardoor geen invloed uitoefenen op een genezingsproces. De arts die het onderzoek leidt weet niet wie het geneesmiddel of de placebo krijgt toegediend. Na afronding van het onderzoek kan men de efficiëntie van het geneesmiddel op de ziekte bepalen. Bijna altijd stelt men vast dat bij een aantal personen, dat een placebo heeft geslikt, de ziekte toch is verbeterd. De resultaten zijn soms beter dan bij hen die het geneesmiddel hebben gebruikt. Waarom helpt een placebo even goed en soms zelfs beter dan het geneesmiddel? Het antwoord is eenvoudig: het geloof in de genezing stimuleert de zelfgenezende kracht en de lichaamseigen pijnverzachting.

Er zijn ontelbare onderzoeken die hebben bevestigd dat een placebo wel degelijk een ziekte geneest en pijn verzacht of geheel doet verdwijnen. Dankzij de vooruitgang van het hersenonderzoek, heeft men inzicht gekregen in het werkingsmechanisme. Onderzoek op depressieve patiënten toonde aan dat een placebo dezelfde uitwerking had in de hersenen als bij de patiënt die effectief een antidepressivum kreeg toegediend. Met een hersenscan kon aangetoond worden dat dezelfde arealen in de hersenen veranderingen ondergingen. Het enige verschil dat soms werd vastgesteld bestond uit het aantal arealen. Het antidepressivum gedraagt zich objectief volgens zijn exacte chemische samenstelling, terwijl de invloed van de placebo subjectief is en bepaald wordt door de intensiteit van het geloof van de proefpersoon in zijn genezing.

In een Deens onderzoek blijkt dat het genezende effect bij placebo enkel kan verkregen worden als de patiënt wel degelijk een schijnmedicijn of een spuitje krijgt toegediend. De patiënt moet de overtuiging hebben dat hij wel degelijk werd behandeld. Placebo’s helpen als men er in gelooft. Wetenschappers gaan er vanuit dat de patiënt die er van overtuigd is te genezen of beter te worden bepaalde hoeveelheden dopanine in de hersenen produceert. Dit is een neurotransmitter die instaat voor de motivatie en een aantal fysiologische processen stimuleert. Een tekort aan dopanine veroorzaakt depressie, Parkinson en andere neurologische ziekten. Bij Parkinson worden neuronen of zenuwcellen sterk aangetast en vernietigd en toch tonen onderzoeken aan dat placebo bij Parkinson vrij goede resultaten geeft. Verder gaat men er vanuit dat bij het placebo-effect de productie van de pijnstillende endorfine gestimuleerd wordt.

Als placebo’s een aantoonbaar effect hebben, waarom worden ze dan uitsluitend gebruikt bij geneesmiddelenonderzoek en niet als bruikbaar medicijn? Het antwoord is duidelijk: het effect van een placebo is afhankelijk van de persoon die het gebruikt. Het is een subjectieve ervaring die van patiënt tot patiënt sterk verschilt. Het is niet zo dat iedereen die een placebo krijgt toegediend daar gunstige resultaten mee bereikt. Alleen zij die vanuit een bepaalde instelling bewust of onbewust een sterk geloof weten te ontwikkelen hebben daar iets aan. Het zou onverantwoord zijn dit algemeen toe te passen. Men neemt hierdoor patiënten hun noodzakelijke medische hulp weg. Een patiënt die ervan overtuigd is dat zijn arts of therapeut hem echt kan helpen en dat de voorgestelde therapie een gunstige invloed heeft op het genezingsproces, zal beter resultaat behalen dan iemand die daar kritisch tegenover staat.

Eeuwenlang berustte de geneeskunde bijna uitsluitend op het placebo-effect. Tovenaars, sjamanen, alchemisten, priesters en tempeldienaars gingen ervan uit dat een ziekte ontstond onder invloed van boze geesten of goden. Ziekte, zo werd er gezegd, had een bovennatuurlijk karakter en was een straf van de goden. De bedienaars van de geneeskunde gebruikten allerlei middeltjes, rituelen en offergaven om genezing af te smeken. Zij die een sterk geloof hadden, genazen snel. Twijfelaars hadden weinig of geen kans om te genezen. In die tijd werden de zieken wel vooraf verzorgd en dat gebeurde vaak op voortreffelijke wijze met geneeskrachtige kruiden, olie, water en andere natuurlijke substanties of eenvoudige behandelingen. Het echte genezingsproces gebeurde echter in de tempels. Het is de grote verdienste van Hippocrates zich tegen deze suggestieve geneeskunde te verzetten en een rationele geneeskunde te ontwikkelen waarbij de patiënt zijn eigen verantwoordelijkheid moest dragen. Iedere patiënt kan immers aan zijn eigen genezingsproces een bijdrage leveren door zich positief in te stellen.

In de suggestietherapie wordt uitsluitend gebruik gemaakt van het placebo-effect maar vanuit een heel andere benadering. In het geneesmiddelenonderzoek werkt men met verscholen suggesties, de patiënt is immers ervan overtuigd dat hij een goed werkend medicijn slikt. Bij suggestietherapie echter werkt men met open en actieve suggesties. De patiënt weet dat het om een suggestie gaat. Hij moet zichzelf overtuigen dat hij iedere dag beter en beter wordt. In de natuurgeneeskunde vertrekt men vanuit het standpunt dat de therapie of het natuurlijke geneesmiddel wel degelijk een aantoonbare genezende werking moet hebben, terwijl een actieve suggestie als een toegevoegde waarde beschouwd wordt. Ook zonder suggestie moet een therapie of biologisch geneesmiddel werken.

20:24 Gepost door Jan Dries in Gezondheid | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

19-03-15

Angiogenese of hoe een kankergezwel zich voedt!

De moderne oncologie heeft de genezingskansen voor een aantal kankers opvallend verbeterd terwijl een aantal vormen niet of moeilijk te behandelen zijn. Het probleem is echter dat men het aantal nieuwe kankergevallen niet kan terugdringen. Men slaagt er in de ziekte beter te behandelen, maar men krijgt kanker niet uitgeroeid. Dat heeft vooral te maken met het vervuilde milieu, het massaal gebruik van industriële voedingsproducten en een aantal psychische en emotionele problemen. De wortel van het kwaad bevindt zich in de cel. Kanker ontstaat door ontsporing van bepaalde functies van de cel, vandaar dat kanker medisch gezien wordt omschreven als een celziekte. Gedurende ons hele leven worden de cellen van buitenaf bedreigd door virussen, vrije radicalen, kankerverwekkende stoffen, enz. maar iedere bedreiging wordt onder normale omstandigheden afgeslagen. Sommige cellen slagen er in om hun genen zodanig te muteren dat deze een kankercel vormen. Dat betekent niet dat zo’n kankercel meteen een gezwel wordt. Daarvoor zijn een aantal specifieke voorwaarden nodig. De cel moet o.a. steeds meer eigenschappen krijgen die hem in staat stellen om te groeien en weefsel te vormen. Een kankercel gaat zich eerst innestelen en gaat dan op zoek naar voedsel via het proces van de angiogenese of de vorming van nieuwe bloedvaten. Een kankergezwel kan zich niet vermeerderen zonder permanente aanvoer van voedsel en zuurstof.

 

Angiogenese is de vorming van nieuwe bloedvaten vanuit bestaande bloedvaten. Dat is een bekend en goed bestudeerd fysiologisch proces. Dit proces vindt bijvoorbeeld plaats tijdens de embryogenese en embryo-implantatie in het endometrium of het slijmvlies van de baarmoeder. Het ontstaan van kanker wordt vergeleken met een bevruchte eicel. Aanvankelijk begint de bevruchte eicel zich vanuit zijn eigen energie te vermenigvuldigen, maar die is beperkt. Om aan voedsel te geraken worden er bloedvaten gevormd zodat er bloed van de moeder naar de vrucht stroomt. Bloed voert voedsel, warmte en zuurstof aan en voert afvalstoffen af. Door het proces van angiognese kan de bevruchte cel zich ontwikkelen van embryo naar foetus. Angiogenese ontstaat eveneens bij wondheling en bij een kankergezwel. Een tumor zorgt er voor dat er nieuwe bloedvaten ontstaan door groeifactoren voort te brengen die zich tot in het dichtstbijzijnde bloedvat verspreiden. Deze hechten zich op de cellen van de vaatwand en zorgen ervoor dat zij zich delen en uiteindelijk nieuwe vaten vormen om de tumor van voedsel te voorzien. Zo kan de tumor blijven groeien. Hij begint eerst binnen te dringen in het omliggende, gezonde weefsel, maar kankercellen kunnen zich ook losmaken van de primitieve tumor en met behulp van de bloedsomloop zich in andere organen vestigen wat uitzaaiing of metastase wordt genoemd.

 

Biologische kankerbestrijding

Bij het behandelen van kanker probeert men de tumorgroei tegen te gaan door de vorming van nieuwe bloedvaten te verhinderen, m.a.w. men probeert de tumor uit te hongeren. Om te kunnen groeien heeft de tumor een constante toevoer van voedsel en zuurstof nodig. Anti-angiogenesemedicatie wordt vooral gebruikt in combinatie met chemotherapie in de behandeling van dikke darmkanker met uitzaaiing in de lever of bepaalde vormen van long- of borstkanker. Deze behandeling gaat gepaard met bijwerkingen. In de biologische kankerbestrijding, als aanvulling op de reguliere behandeling, gaan onderzoekers er vanuit dat bepaalde vruchten een anti-angionese werking hebben. Door het eten van gezonde voedingsmiddelen zoals fruit en groenten worden aan het organisme kleine hoeveelheden kankerremmende stoffen toegediend. Dat kan zowel ter voorkoming van kanker als ter ondersteuning van het genezingsproces. Door het verhinderen van de vorming van nieuwe bloedvaten wordt de toevoer van voedsel en zuurstof afgesneden en sterft de tumor.

 

Kurkuma

Sommige onderzoekers suggereren dat curcumine, een stof uit Kurkuma, de vorming van nieuwe bloedvaten door angiogenese kan verhinderen, waardoor de kankercellen worden beroofd van hun eigen energiebron. Uit onderzoek op dieren en in laboratoria gekweekte kankercellen is gebleken dat curcumine de groei van een groot aantal kankercellen kan stoppen, vooral die van leukemie, dikke darmkanker, borstkanker en kanker aan de eierstokken.

 

Frambozen en aardbeien

Beide vruchten zijn in staat om de celgroei van tumoren af te remmen, afhankelijk van de hoeveelheid polyfenolen. Dierproeven hebben uitgewezen dat het eten van beide vruchten (5% van de maaltijd) een belangrijke vermindering teweeg brengt van tumoren in de slokdarm. Ellaginezuur, een stof die in deze twee vruchten en nog vele andere voor komt, wordt gezien als een krachtige remmer van twee eiwitten die van wezenlijk belang zijn bij het ontwikkelen van bloedvaten bij tumoren, dus bij het proces van angiogenese.

 

Anthocyanidinen

Anthocyanidinen zijn een groep van polyfenolen die zorgen voor de meeste kleuren rood, roze, paars, oranje en blauw in allerlei bloemen en vruchten. Deze pigmenten zijn overvloedig aanwezig in frambozen en rode bessen, maar ook in aardbeien, cranberry’s en in talrijke vruchten en groenten. Ook deze polyfenolen zorgen voor het afremmen van angiogenese. De blauwe bes bevat bovendien delfidine die eveneens een afremmende werking van angiognese kent. Zelfs de vitamine C uit vruchten en groenten heeft een dergelijke werking.

 

In de biologische kankerbestrijding hecht men veel belang aan specifieke voedingsmiddelen bij het behandelen van kankers. Dit betekent niet dat voeding een reguliere behandeling overbodig maakt. Specifieke voeding kan het genezingsproces gunstig beïnvloeden en de nevenwerkingen van de zware chemotherapie draaglijk maken. Fruit, groenten, noten, bepaalde zaden en pitten, honing, stuifmeel, tarwekiemen en nog vele andere voedingsmiddelen bezitten, zoals onderzoeken aantonen, kankerremmende stoffen die een bijdrage leveren in de strijd tegen kanker. Al deze voedingsmiddelen moeten tijdens het genezingsproces rauw worden gegeten omdat deze stoffen zeer kwetsbaar zijn voor warmte, inwerking van zuurstof, maar in minder mate van mechanische bewerking zoals het fijn snijden, raspen of persen. In geïsoleerde vorm werken deze stoffen niet. Het is belangrijk om in het kader van kankerpreventie regelmatig deze voedingsmiddelen te gebruiken.

13:24 Gepost door Jan Dries in Gelaatkunde, Natuurgeneeskunde, Voeding | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

HARTINFARCT KAN VOORKOMEN WORDEN

Een hartinfarct is een gevreesde kwaal die ondanks alle voorlichtingen over cholesterol en vetgebruik steeds meer voor komt. Zelfs vrouwen en jonge mensen worden er door getroffen. Toch kan een hartinfarct voorkomen worden door vroegtijdig de risico’s bij zichzelf op te sporen en zijn voeding en levenswijze aan te passen. Enkele jaren geleden had men de gewoonte om op het protocol van het bloedonderzoek de verhouding van de verschillende soorten cholesterol te vermelden. Daaruit werd de risicofactor voor een hartinfarct bepaald. Zwart op wit stond er te lezen hoe groot de kans was dat men voor zijn zestigste of vijfenzestigste leeftijd een hartinfarct kon krijgen. De goedbedoelde maatregel had een averechts effect. Patiënten geraakten in paniek en leefden met zo een intense angst dat zij inderdaad voor de aangegeven leeftijd een hartinfarct kregen. Te lang heeft men angst gebruikt als afschrikmiddel, maar dat werkt niet.

Te eenzijdig hebben wetenschappers zich blind gestaard op het gebruik van dierlijke vetten alsof dit de enige oorzaak zou zijn. Daar is nu gelukkig verandering ingekomen. Wereldwijd namen 15.152 mensen, die al een hartinfarct achter de rug hadden, deel aan de Interheart-studie. Volgens deze studie zijn zeven risico’s doorslaggevend. Aan de hand van deze risico’s kunnen negentig procent van alle hartinfarcten voorspeld worden, zegt de studie. Wij moeten niet voorspellen, maar wij moeten voorkomen dat mensen een hartinfarct krijgen.

Deze zeven risico’s zijn:

·      Roken

·      Ongunstige verhouding tussen bepaalde bloedvetten

·      Te hoge bloeddruk

·      Diabetes

·      Stress

·      Ongezonde voeding

·      Gebrek aan beweging

 

Toch worden in dit belangrijk onderzoek drie factoren vergeten, namelijk de familiale aanleg, het temperament en de expositie. Het is voldoende bekend dat roken de vaten aantast en de kans op een hartinfarct verhoogt. In dit onderzoek spreekt men niet meer van cholesterol of verzadigde vetzuren, maar wel van een ongunstige verhouding tussen bepaalde bloedvetten. Om het eenvoudig te stellen, mensen die veel vlees eten verhogen hun risico omdat zowel dierlijke vetten als een verhoogde consumptie van dierlijk eiwit nadelig is voor hart en vaten. Aanhoudende hoge bloeddruk is een bekend risico, maar staat niet op zichzelf. Het is eerder een gevolg van vernauwde vaten ten gevolge van het dichtslibben door een verkeerd vetgebruik, maar ook door stress en emotionele spanningen. Diabetici hebben meer kans een hartinfarct te krijgen en dat hangt samen met een aantal eigenschappen van deze ziekte zoals belasting van de nieren, verstoring van de waterhuishouding, verstoorde vet- en suikerstofwisseling.

Ongezonde voeding verhoogt de kans op een hartinfarct door een verstoring van de natrium-kalium verhouding. Zout wordt als goedkoop bewaringsmiddel door de voedingsindustrie massaal toegevoegd aan haast alle voedingsproducten terwijl kalium als natuurlijke inhoudsstof voor komt. Als mens hebben we erg weinig natrium (zout), maar veel kalium nodig. Natrium houdt het vocht vast en kalium scheidt het uit. Is deze verhouding verstoord, dan houdt men teveel vocht vast en dat is een belasting voor de nieren en het hart met hoge bloeddruk als gevolg. Terecht wijzen de onderzoekers van deze studie op het feit dat mensen die een hartinfarct krijgen te weinig fruit en groenten eten. Fruit en groenten zijn de beste leveranciers van kalium. Honderd gram banaan bijvoorbeeld bevat 1 mg natrium tegenover 382 mg kalium terwijl honderd gram erwten in blik 239 mg natrium bevat tegenover slechts 99 mg kalium. In de meeste voedingsproducten komt meer natrium dan kalium voor terwijl bij voedingsmiddelen dit juist omgekeerd is. Kalium is van bijzonder grote waarde voor onze gezondheid, maar is voor nierpatiënten een contra-indicatie. Zieke nieren zijn niet in staat om grote hoeveelheden water uit te scheiden. Gebrek aan beweging wordt eveneens gezien als een belangrijk risico. Daar schijnt iedereen zich van bewust te zijn. Bewegen is een nieuwe rage geworden.

 

Natuurgeneeskundige benadering

Deze wereldwijde Interheart-studie bevestigt voor een groot deel wat in de natuurgeneeskunde reeds lang bekend is. Een ziekte ontstaat nooit vanuit één oorzaak, maar vanuit meerdere ongunstige factoren. Een van de belangrijkste principes uit de natuurgeneeskunde luidt: ‘behandel de zieke in plaats van de ziekte’. Door zich op de zieke te richten is het gemakkelijker om een complex van negatieve factoren samen te brengen dat verantwoordelijk zijn voor het ontstaan of het uitlokken van een ziekte. Daarom vertrekken we altijd vanuit de constitutie, het temperament, de dispositie en de expositie.

 

De constitutie is de lichamelijke gesteldheid van een persoon en die is genetisch bepaald. Ieder mens is het resultaat van zijn ouders, grootouders en voorouders. Een stamboom is in feite een soort genetische trekker, gericht op het individu. Men erft niet alleen de kleur van het haar of de ogen, de lengte van de neus, vingers of tenen, de breedte van de mond, schouders of heupen, de grootte van de oren, handen of voeten, maar ook persoonskenmerken. De eigen inbreng zoals opvoeding, tijdgeest, eigen inzet en persoonlijkheidstrainingen staat altijd in verband met het aangeboren temperament. Vanuit de erfelijkheid is het te verklaren waarom in bepaalde families meer hart- en vaatziekten voor komen. Familiale belasting is een belangrijke factor waar men rekening mee moet houden. Komt men uit een familie waar bijna iedereen aan hoge bloeddruk lijdt, zal men zich preventief beschermen door er een gezonde voeding en levenswijze op na te houden. Men hoort vaak zeggen: het helpt niet want het zit bij ons in de familie. Juist daarom zal men zich extra verzorgen. Bovendien zal men ongunstige omgevingsfactoren (expositie) zoveel mogelijk vermijden zoals heftige discussies, aanhoudende stresstoestanden, problemen, werkdruk enz. Ook als men familiaal belast is, kan men ondanks alles gezond door het leven gaan.

13:22 Gepost door Jan Dries in Gezondheid | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Gezonde vetten In plantaardige voedingsmiddelen

Al bijna veertig jaar horen we het verhaal dat vet slecht is en wordt aanbevolen om de hoeveelheid vet in de voeding te beperken, want vetarm eten schijnt gezond te zijn. Modellen voor voedingsvoorlichting houden misverstanden in leven en daar geraken we niet gemakkelijk van af. De werkelijkheid ligt heel anders: ons lichaam kan niet zonder vet. Ieder voedingsmiddel bevat vet, zelfs in fruit en groenten komen geringe hoeveelheden vet voor. Een kilogram appels levert 4 g vet en een kilogram kiwi’s zelfs 6 g. Bij groenten komen dezelfde hoeveelheden voor met hier en daar een uitschieter. Zo levert een kilogram tuinkers 14 g vet. Vetloos eten is theoretisch onmogelijk. Als we te weinig vet via onze voeding opnemen, maakt het lichaam zelf vet aan uit koolhydraten en indien nodig uit eiwit. Dat wijst er op dat we niet zonder vet kunnen. Plantaardig vet hebben we absoluut nodig, eventueel aan te vullen met melkvetten omdat die bij matig gebruik minder gevaarlijk zijn.

Er is een verband tussen eiwit en vet. Eiwitrijke voedingsmiddelen zoals vlees, vis, kaas, noten of zaden bevatten in verhouding veel vet. Vet bezit de eigenschap om de maagmotoriek door enterogastrische reflexen af te remmen, waardoor het eiwit langer in de maag blijft en beter wordt afgebroken. Vandaar dat eiwitrijke voedingsmiddelen altijd veel vet moeten bevatten, zoals de natuur dat aangeeft. Het gebruik van vetarm vlees, magere melk of kaas en andere magere eiwithoudende producten zijn af te raden omwille van een te snelle en onvoldoende vertering in de maag. Dit klinkt vreemd in een wereld waarin zoveel reclame wordt gemaakt voor vetarme producten.

Vetten afkomstig van vlees zijn schadelijk, niet alleen omdat zij overwegend verzadigde vetzuren bevatten, maar vooral omdat het harde vetten zijn. Melkvetten in melk, slagroom, boter of kaas hebben een laag smeltpunt en worden gerekend tot de vloeibare vetten. Deze vetten zijn bij matig gebruik nauwelijks schadelijk voor menselijke consumptie. Plantaardige vetten in noten, zaden, kiemen, pitten en in mindere mate in fruit en groenten, bevatten naast een geringe hoeveelheid verzadigde vetzuren (VV) overwegend enkelvoudig onverzadigde (EOV) en in mindere mate meervoudig onverzadigde vetzuren (MOV). Het heeft weinig zin om vetten die rijk zijn aan verzadigde vetzuren als slecht te beschouwen. Niet alle verzadigde vetzuren werken op dezelfde manier. Sommige verhogen de cholesterol in het bloed, andere het triglyceridengehalte en weer andere zijn neutraal. Meervoudig onverzadigde vetzuren, zoals safloerolie, ook distelolie genoemd, zijn lang geprezen als de allerbeste. Deze meervoudig onverzadigde vetzuren zijn gevoelig voor preoxidatie. Sommige van die preoxiden zijn schadelijk. Plantaardige voedingsmiddelen bevatten overwegend onverzadigde vetzuren, maar er zijn uitzonderingen zoals kokosolie, palmolie en palmpitolie.

Het vetprobleem in het westerse voedingspatroon is hoofdzakelijk te wijten aan het veelvuldige gebruik van vlees en vleesproducten en het verwerken van dierlijk vet in talrijke voedingsproducten. Vegetariërs eten geen vlees en geen vis en krijgen daardoor weinig schadelijke vetten binnen. Vandaar dat zij het gebruik van plantaardig vet in de vorm van olie, oliesaus of mayonaise erg waarderen, eventueel aangevuld met melkvetten zoals boter, slagroom of kaas. Ook het gebruik van noten, zaden en pitten zijn goede leveranciers van vet. Een vegetariër gebruikt 40 à 80 g vet per dag. Dat is nog altijd lager dan de vleesetende consument met al zijn vetarme producten. Omdat men geen rekening houdt met de verscholen vetten die in zoveel voedingsproducten zijn verwerkt, beseft men niet hoeveel vet men per dag eet. Er is met absolute zekerheid aangetoond dat hart- en vaatziekten veel minder voorkomen onder vegetariërs. Alleen door minder vlees te eten, lost men het vetprobleem al voor een groot deel op.

13:19 Gepost door Jan Dries in Gezondheid | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |